kimberley
Na een half uur bereiken we de andere kant van de rots, waar we gaan
zwemmen in een verbreding van de kreek. Achteraf horen we dat er 'freshies'
(zoetwater krokodillen), in het water zijn. Daar schijn je niet bang voor
te hoeven zijn omdat die geen mensen eten. Ik geloof het maar half. Het
aboriginalverhaal over de krokodil zegt dat hij vroeger een mens was die
voor straf in het vuur is gegooid, waardoor hij van die stekelige schubben
op z'n rug kreeg. Uit wraak probeert de krokodil op zijn beurt mensen
aan te vallen.
Eenmaal uitgezwommen lopen we naar een kloof verder op de heuvel waar
zich grottekeningen van de aboriginals bevinden. Ik schaam me om daar
in mijn zwembroek naar het erfgoed van aboriginals te kijken. Het lijkt
zo respectloos. Ik krijg het gevoel dat ik hier niet hoor. Alsof ik eraan
meegedaan heb de aboriginals eerst te verjagen en nu, nu ze er niet meer
zijn, een beetje in hun water ga zwemmen en naar hun tekeningen ga kijken.
Ik weet wel, ik ben geen kolonist en ik heb niemand weggejaagd, maar door
de manier waarop we door dit gebied reizen, heb ik het gevoel een levenswijze
voort te zetten die tot de vernietiging leidt van wat we zeggen mooi te
vinden: de wilde natuur en het leven en de kunst van de aboriginals.
Misschien denk ik dit door het verhaal dat we elkaar de vorige avond rond
het kampvuur hebben voorgelezen, het verhaal van Jandamarra.
|