| Waarom werken we?
In een grootschalig Europees statistisch onderzoek is aan 15 duizend werknemers gevraagd of ze graag naar hun werk gaan. Zo’n 15% gaat fluitend naar het werk, maar de resterende 85% moet zich erheen slepen. Daarvan zou 20% het liefst helemaal de deur niet meer uitgaan. In het artikel Lastdieren of verwende kinderen (Filosofie Magazine, februari 2005) gaat Liesbeth Noordegraaf-Eelens na waarom de meesten van ons met tegenzin naar hun werk gaan. Kunnen filosofen zoals Hannah Arendt en Peter Sloterdijk de tegenzin verklaren? Zo ja, valt er iets aan te doen?
Hannah Arendt (1906-1975) meent dat de reden voor de tegenzin in het werk schuilt in de consumptiemaatschappij. In de consumptiemaatschappij wordt werken vooral ploeteren.
Arendt onderscheidt drie soorten inspanningen: arbeid, werk en actie. De arbeid is de fysieke arbeid, die gericht is op behoeftebevrediging. Arbeid is inspanning die steeds terugkomt, bijvoorbeeld het boodschappen doen, koken en huishoudelijk werk. De biologische behoeften worden nooit voorgoed bevredigd. Als we deze inspanningen verrichten lijken we op dieren, die zich ook laten leiden door overlevingsdrang.
De tweede vorm van inspanning noemt Arendt werk. Werk is gericht op productie van gebruiksgoederen. Neem bijvoorbeeld de edelsmid die zilveren ringen fabriceert. Kern van zijn werk is scheppen. Maar als de werkende mens de marktplaats betreedt, verliest hij zijn autonome status en wordt hij gereduceerd tot koper en verkoper van goederen.
De derde vorm, de actie, is uitingsvorm van de uniciteit van de mens. Deze komt naar voren in het spreken. De mens is geen vertegenwoordiger van een bepaald product, maar mens onder de mensen. In de politiek kan de sprekende mens zijn stem laten horen. Hannah Arendt toont dat het politieke leven verdwijnt, de maatschappij steeds meer een consumptiemaatschappij wordt met wegwerpartikelen. Daardoor vervaagt de grens tussen arbeid en werk en houden we eigenlijk alleen maar overlevingsgedrag (het ploeteren) over. Dat ervaren we als niet zinvol (het werk is nooit af) en daardoor gaan we met tegenzin naar het werk.
Volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk heeft het gebrek aan zingeving in het werk te maken met verwennerij. We leven in een verwenstaat en het ontbreekt ons aan niets. Door de stijging van de arbeidsproductiviteit hoeven we nog maar 1700 uur per jaar te werken. Van de 8760 uur per jaar houden we dus erg veel tijd over. Hoe minder de mens moet werken, des te meer tijd houdt hij over om te zeuren over het beetje werk dat hij moet doen, aldus Sloterdijk, geciteerd in het artikel.
Scheppende mens
In de sombere analyse van beide filosofen flonkert ook een lichtpuntje. Het werk kan leuk zijn. Als mensen meer actie ervaren in hun werk of buiten hun werk, ervaren ze dat ze hun eigen uniekheid in hun werk kunnen leggen. Dat is niet alleen iets dat voor wetenschappers of kunstenaars is weggelegd. Ook in het onderwijs of in de gezondheidszorg kun je meer bezieling en creativiteit in je werk leggen. Ook de overvloed van Sloterdijk biedt mogelijkheden om meer van jezelf in het produceren te leggen. Waar Noordegraaf terecht op wijst is dat niet door beheers en controle technieken de productiviteit uit het werk moet verdwijnen. Dus geen overvloed aan managementtechnieken, performance maatstaven, consumentenonderzoeken of regelgeving. Deze zaken nemen het hart uit het werk en de levenslust uit de werknemer.
Ze pleit voor productvernieuwing, nieuwe werkmethoden en aandacht voor het werk.
Een zinvol geluid in deze tijd waar targets en bezuinigingsdrift steeds meer de boventoon voeren.Maar de analyse van de filosofen pleit ook voor iets anders: een bezinning op de rol van de consumerende mens. |